Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:474

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 maart 2025
Publicatiedatum
27 maart 2025
Zaaknummer
23/1017 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbWet langdurige zorgGrondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening uitspraak ontheffing verzekeringsplicht Wlz

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek om herziening ingediend van de uitspraak van 26 januari 2023, waarin het eerdere beroep tegen de Sociale verzekeringsbank werd afgewezen. De oorspronkelijke uitspraak bevestigde dat de ontheffing van de verzekeringsplicht voor de Wet langdurige zorg (Wlz) terecht met ingang van december 2019 was verleend.

In het herzieningsverzoek beroept verzoeker zich op schending van het gelijkheidsbeginsel en de Grondwet, maar voegt geen nieuwe feiten of omstandigheden toe die niet reeds bekend waren bij de eerdere uitspraak. De Raad beoordeelt het verzoek aan de hand van artikel 8:119 Awb Pro, dat herziening alleen toestaat indien nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren, tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.

De Raad stelt vast dat het verzoek neerkomt op een hernieuwde discussie over de reeds onherroepelijk geworden uitspraak, hetgeen niet is toegestaan. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden die herziening rechtvaardigen. Daarom wordt het verzoek afgewezen en blijft de uitspraak van 26 januari 2023 ongewijzigd. Tevens wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

23/1017 WLZ
Datum uitspraak: 27 maart 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 januari 2023, 22/3371 WLZ
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
SAMENVATTING
In deze zaak wijst de Raad een verzoek om herziening op grond van artikel 8:119 van Pro de Awb af. Wat verzoeker heeft aangevoerd, is onvoldoende om de uitspraak van de Raad van 26 januari 2023 te herzien.

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft gevraagd om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 januari 2023. Verzoeker heeft verschillende keren aanvullende informatie ingediend. De Svb heeft geen verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 februari 2025. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een uitspraak van 26 januari 2023 [1] heeft de (voorzieningenrechter van de) Raad de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 oktober 2022 [2] bevestigd en een verzoek tot veroordeling van schadevergoeding afgewezen. Daarbij is een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, omdat de Svb terecht met ingang van december 2019 – en niet eerder – aan appellant ontheffing van de verzekeringsplicht voor de Wlz [3] heeft verleend.
1.2.
Op 10 februari 2023 heeft verzoeker een verzoek om herziening ingediend van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad.
Het standpunt van verzoeker
2. Verzoeker heeft gevraagd om herziening op grond van de Grondwet en in verband met schending van het gelijkheidsbeginsel.

Het oordeel van de Raad

3. De Raad beoordeelt of aanleiding bestaat om de onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad van 26 januari 2023 te herzien. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die verzoeker in zijn verzoek om herziening heeft aangevoerd. De Raad wijst het herzieningsverzoek af. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt.
3.1.
Op grond van artikel 8:119 van Pro de Awb [4] kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Verzoeker heeft om herziening gevraagd op grond van de Grondwet en in verband met schending van het gelijkheidsbeginsel. Bij dat verzoek is een groot aantal bijlagen gevoegd, die al eerder zijn ingezonden. Van nieuwe informatie is niet gebleken.
3.3.
Het verzoek om herziening komt erop neer dat verzoeker opnieuw de discussie probeert te voeren over de zaak waarover is beslist bij de uitspraak van de Raad van 26 januari 2023. Het is vaste rechtspraak van de Raad [5] dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen terwijl geen sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu niet is gebleken dat verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Awb, naar voren heeft gebracht.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van 26 januari 2023 in stand blijft.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2025.
(getekend) Y. Sneevliet
(getekend) M. Dafir

Voetnoten

3.Wet langdurige zorg.
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:828.