Uitspraak
22.3371 WLZ, 22/3381 WLZ-VV
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker ontving een dwangbevel over de premie Zorgverzekeringswet en stelde in december 2019 dat hij sinds 2008 als gemoedsbezwaarde was aangemeld. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees het verzoek in maart 2020 af wegens gebrek aan bewijs en onvoldoende informatie over woonplaats. In november 2021 werd het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard en ontheffing verleend met ingang van december 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij eerder dan december 2019 een verzoek tot ontheffing had ingediend. Verzoeker stelde dat hij in 2008 brieven aan het College voor zorgverzekeringen (Cvz) had gestuurd, maar kon dit niet overtuigend bewijzen. De kopie van een enveloppe met een onduidelijke datum en adressering aan een andere afdeling bood onvoldoende bewijs.
De Raad concludeerde dat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat hij in 2008 een verzoek had ingediend. Ook het formulier uit 2006 was niet betrouwbaar vanwege onjuiste gegevens. Verzoeker had bovendien onvoldoende actie ondernomen toen bleek dat zijn verzoeken niet werden gehonoreerd, ondanks dat hij in 2015 was gedagvaard en beslag op zijn inkomen was gelegd.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep, het verzoek om voorlopige voorziening en het verzoek tot schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep, verzoek om voorlopige voorziening en verzoek tot schadevergoeding worden afgewezen; ontheffing verzekeringsplicht Wlz is terecht verleend met ingang van december 2019.