Appellant, sinds 1988 werkzaam bij het Ministerie van Defensie, werd ontslagen wegens ernstig toerekenbaar plichtsverzuim, waaronder stalking en belaging van een marinier die hij begeleidde. Na een strafrechtelijke veroordeling en vernietiging daarvan door het hof, legde de staatssecretaris in 2018 het ontslag op. Appellant voerde aan dat zijn gedragingen niet toerekenbaar waren vanwege ADHD, maar een deskundige concludeerde dat hij de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag kon inzien.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het ontslag evenredig was gezien de ernst van het plichtsverzuim en het vertrouwen dat de organisatie in haar medewerkers moet kunnen stellen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en wees het hoger beroep af. Tevens werd vastgesteld dat de Raad te lang had gedaan over de behandeling, waardoor een schadevergoeding van € 2.000,- werd toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad wees ook het verzoek van appellant af om het ontslag als onevenredig te beschouwen, mede omdat appellant zelf tot het inzicht had moeten komen dat zijn gedrag ontoelaatbaar was. De Staat werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten, maar appellant kreeg geen verdere kostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.