ECLI:NL:CRVB:2025:433
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerde het UWV dat appellant niet geschikt is voor zijn laatste werk, maar wel passend werk kan verrichten, waardoor hij geen recht heeft op een uitkering.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV. Appellant voerde aan dat de beperkingen zijn onderschat, onder meer vanwege een eerdere Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van de bedrijfsarts en zijn pijnklachten, maar de rechtbank en de Raad oordeelden dat deze FML een ander doel dient en de verzekeringsartsen hun beperkingen voldoende medisch onderbouwd hebben.
Ook de arbeidskundige beoordeling dat de geselecteerde functies passend zijn, werd bevestigd. De door appellant overgelegde functiebeoordelingen waren verouderd en niet relevant. Het verzoek om schadevergoeding wegens wettelijke rente werd afgewezen.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt het bestreden besluit, waardoor appellant geen WIA-uitkering ontvangt en geen vergoeding van proceskosten krijgt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.