Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf het derde kwartaal 2018 kinderbijslag voor zijn zoon, die sinds oktober 2020 in Duitsland woont. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) trok het recht op kinderbijslag voor het tweede kwartaal van 2021 in wegens onvoldoende onderhoudsbijdrage van appellant. Appellant vroeg om heroverweging met verwijzing naar betalingen in januari en mei 2021, maar de Svb wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond en bepaalde dat appellant de proceskosten vergoed krijgt wegens niet-gehoord zijn in bezwaar. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die het verzoek tot terugkomen op het besluit opnieuw beoordeelde.
De Raad oordeelde dat de Svb terecht het verzoek afwees omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd. De door appellant genoemde betalingen werden niet als voldoende bewijs van onderhoudsbijdrage erkend. De Raad vond het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist en oordeelde dat het niet evident onredelijk was om niet terug te komen op het besluit.
Het hoger beroep werd verworpen, de eerdere uitspraak bevestigd en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De beslissing werd uitgesproken op 9 januari 2025 door J.H. Ermers.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag over het tweede kwartaal 2021 wegens onvoldoende onderhoudsbijdrage.