ECLI:NL:CRVB:2025:37
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping boete wegens onjuiste vaststelling schending inlichtingenplicht Ziektewet-uitkering
Appellante ontving vanaf augustus 2020 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en later een Ziektewet-uitkering (ZW). Het UWV beëindigde de ZW-uitkering per 27 juli 2021 wegens herstel en vorderde onterecht betaalde bedragen terug. Tevens legde het UWV een boete op wegens vermeende schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en oordeelde dat het bezwaar zich alleen richtte tegen de boete en invordering, niet tegen intrekking en terugvordering. De rechtbank vond dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden omdat zij pas na zes maanden meldde beter te zijn.
In hoger beroep stelde appellante dat zij het UWV eerder had geïnformeerd over haar herstel via telefonische meldingen en inkomstenformulieren. De Raad volgde dit en oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke situatie van appellante, die het Nederlands slecht beheerst. Hierdoor ontbrak een grondslag voor de boete.
De Raad vernietigde het boetebesluit en herroept de boete, maar handhaafde de invordering van de terugvordering. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante.
Uitkomst: Het boetebesluit wordt vernietigd en herroepen wegens onvoldoende bewijs van schending inlichtingenplicht, terwijl de invordering van de terugvordering in stand blijft.