ECLI:NL:CRVB:2025:1908

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
25/858 WMO-W2-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om wraking van de behandelend rechter in bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, waarbij hij verzocht om wraking van de behandelend rechter, M.A.H. van Dalen-van Bekkum. De wrakingsprocedure vond plaats op 30 oktober 2025, waar de wrakingskamer bestond uit E.J.M. Heijs als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en E.C.E. Marechal als leden. Verzoeker voerde aan dat de wrakingskamer blijk gaf van systematische vooringenomenheid, onder andere door hem te intimideren met beschuldigingen en door vragen te stellen over zijn geestelijke gesteldheid. De wrakingskamer heeft echter geoordeeld dat de vrees voor vooringenomenheid niet objectief gerechtvaardigd was. De voorzitter van de wrakingskamer had verzoeker enkel gewezen op het verbod om de zitting op te nemen, wat gerechtvaardigd was gezien eerdere incidenten. De wrakingskamer heeft vastgesteld dat de behandelend rechters geen aanwijzingen voor vooringenomenheid vertoonden en dat het verzoek om wraking op basis van artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht niet tijdig was ingediend. Uiteindelijk is het verzoek om wraking afgewezen, en kan de zaak door de oorspronkelijke wrakingskamer worden behandeld. De beslissing is openbaar uitgesproken op 1 december 2025.

Uitspraak

25/858 WMO-W2-PV, 25/1571 WMO-W2-PV
Datum beslissing: 1 december 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge beslissing op het verzoek om wraking door
[verzoeker] , te [woonplaats] (verzoeker)
Datum van de zitting: 1 december 2025.
Zitting hebben: T. Dompeling als voorzitter en C.W.C.A. Bruggeman en E.W. Akkerman als leden.
Griffier: H. de Brabander.
Verzoeker is niet verschenen. De leden van de wrakingskamer hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 18 april 2025, LEE 25/1289 en LEE 25/1290 in het geding tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Groningen. De behandeling ter zitting van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 29 september 2025. Deze zitting is voorgezeten door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, lid van de enkelvoudige kamer (behandelend rechter). Verzoeker heeft verzocht om wraking van de behandelend rechter.
2. Het verzoek om wraking is op 30 oktober 2025 behandeld op een zitting van de wrakingskamer van de Raad door E.J.M. Heijs, als voorzitter, en J.T.H. Zimmerman en E.C.E. Marechal, als leden (de wrakingskamer). Verzoeker heeft na de zitting op 30 oktober 2025 verzocht om wraking van de wrakingskamer. De wrakingskamer heeft op het verzoek gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.
3. Verzoeker heeft aan zijn verzoek het volgende ten grondslag gelegd. De wrakingskamer heeft blijk gegeven van systematische vooringenomenheid. Die vooringenomenheid is gebleken doordat verzoeker bij de opening van de zitting is geïntimideerd met een beschuldiging van het opnemen van de vorige zitting. Ook heeft de wrakingskamer twijfel geuit over de geestelijke gesteldheid van verzoeker door de te vragen of hij in staat was om te reageren op de reactie van de behandelend rechter. Verder heeft de wrakingskamer verzoeker ten onrechte gevraagd om zijn al schriftelijk ingediende wrakingsgronden mondeling naar voren te brengen. De kamer had hem hooguit mogen vragen deze gronden mondeling toe te lichten. Ook ontkent de wrakingskamer het procesbelang van verzoeker bij het voorkomen dat hij in de geestelijke gezondheidszorg wordt gedwongen door te stellen dat dit losstaat van het wrakingsverzoek.
4. Op 28 november 2025 heeft verzoeker de gronden van het wrakingsverzoek nader toegelicht en aangevuld. Als aanvullende grond heeft verzoeker aangevoerd dat de wrakingskamer ten onrechte het gestelde antedateren door de behandelend rechter als onderdeel van het inhoudelijke geschil heeft aangemerkt en niet bij de wraking heeft betrokken.
5. Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn. [1]
6. De vrees van verzoeker voor vooringenomenheid wordt ingegeven door zijn vrees dat hij in de geestelijke gezondheidszorg wordt gedwongen en dat de Raad dit faciliteert. Maar de voorzitter van de wrakingskamer heeft feitelijk niet meer gedaan dan verzoeker gewezen op het bestaande verbod om de zitting op te nemen. Daar was ook aanleiding toe, want verzoeker had een eerdere zitting opgenomen en hij gaf zelf aan niet op de hoogte te zijn van dit verbod. Uit het proces-verbaal van de wrakingszitting van 30 oktober 2025 blijkt dat aan verzoeker enkele vragen zijn gesteld die passen bij een normale mondelinge behandeling ter zitting. De behandelend rechters hebben verder met verzoeker besproken dat een eventuele procedure over gedwongen geestelijke gezondheidszorg geheel losstaat van de behandeling van het wrakingsverzoek. De wrakingskamer heeft verzoeker daarmee op een juiste wijze voorgelicht over de omvang van de in het kader van het wrakingsverzoek te behandelen zaken. Uit de wijze van behandeling kunnen geen aanwijzingen voor vooringenomenheid van de behandelend rechters worden afgeleid.
7. In artikel 8:16, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. In het op 30 oktober 2025 ingediende verzoek tot wraking is het gestelde antedateren niet tegelijk met de andere genoemde feiten en omstandigheden voorgedragen. Nu dit pas in de e-mail van 28 november 2025 aan de orde is gesteld, wordt hetgeen verzoeker hierover heeft aangevoerd gelet op het bepaalde in artikel 8:16, derde lid, van de Awb buiten beschouwing gelaten.
8. Het verzoek om wraking moet worden afgewezen. Dat brengt mee dat het verzoek om wraking van M.A.H. van Dalen-van Bekkum kan worden behandeld door de wrakingskamer zoals die oorspronkelijk is samengesteld.
9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
Utrecht, 1 december 2025
De griffier. De voorzitter.
(getekend) H. de Brabander (getekend) T. Dompeling
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep

Voetnoten

1.Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141.