Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:1831

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
24/1751 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:108 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na gewijzigde beslissing UWV

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland inzake haar WIA-uitkering. Tijdens de procedure heeft het UWV op 23 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij appellante met ingang van 17 maart 2022 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt werd verklaard.

Deze nieuwe beslissing leidde ertoe dat het geschil feitelijk was opgelost, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Ondanks het ontbreken van ontvankelijkheid werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, waaronder kosten voor rechtsbijstand, reiskosten en een expertise.

De kosten voor rechtsbijstand werden begroot op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij de werkelijke kosten deels werden afgewezen wegens het ontbreken van een basis voor hogere vergoeding. De kosten voor de verzekeringsarts en reiskosten werden wel volledig toegewezen. Tevens werd het griffierecht vergoed.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 december 2025, waarmee het hoger beroep werd gesloten.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na gewijzigde beslissing UWV.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 juli 2024, 23/1382 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 december 2025

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 24 september 2025 een tussenuitspraak [1] gedaan (tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 23 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft hierop een zienswijze gegeven.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 23 oktober 2025, waarbij appellante met ingang van 17 maart 2022 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht, is het Uwv alsnog volledig aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen. Hierdoor bestaat er feitelijk geen geschil meer tussen partijen. Dat brengt mee dat, nu appellante het hoger beroep niet heeft ingetrokken, het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat het procesbelang ontbreekt.
1.2.
Omdat het Uwv appellante na het instellen van beroep en hoger beroep tegemoet is gekomen, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken.
1.3.
Appellante heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke kosten die zij gemaakt heeft voor de door mr. M.B. Tol verleende rechtsbijstand. Appellante heeft hiertoe op 27 februari 2025 verschillende facturen ingebracht van Berttol Bureau Arbeidsrecht. Bij elkaar opgeteld verzoekt appellante om vergoeding voor verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 4650,15. Verder is verzocht om vergoeding van de gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting van 26 februari 2025 in hoger beroep en om vergoeding van de gemaakte kosten voor de door haar voor een expertise ingeschakelde verzekeringsarts H.P. Balk tot een bedrag van € 2.286,90.
1.4.
De kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift door F. Olthof, nadien opgevolgd door mr. Tol en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-) en € 1.814,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-), in totaal € 3.628,-. Voor een vergoeding van de – beduidend hogere – werkelijke kosten als door appellante gevorderd bestaat geen basis.
1.5.
Voor de werkzaamheden van verzekeringsarts Balk, verbonden aan het rapport van 20 november 2023 dat in beroep is ingebracht, heeft appellante verzocht om vergoeding tot een bedrag van € 2.286,90. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking.
1.6.
De reiskosten van appellante voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 20,- op basis van openbaar vervoer tweede klasse.
1.7.
De kosten worden in hun totaliteit begroot op € 5.934,90.
1.8.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 5.934,90;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en A.I. van der Kris en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
(getekend) E. Dijt
(getekend) H.A. Baars

Voetnoten

1.CRvB 24 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1437.