ECLI:NL:CRVB:2025:1804
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering NOW-3 subsidies wegens onvoldoende omzetdaling
Appellante heeft subsidies aangevraagd op grond van de NOW-3 regeling voor de derde, vierde en vijfde tranche. De minister heeft de subsidies vastgesteld op nihil omdat de omzetdaling minder dan 20% bedroeg in de referentieperiodes, en heeft de eerder verstrekte voorschotten van €148.257,- teruggevorderd.
De rechtbank heeft deze besluiten bevestigd, waarbij zij oordeelde dat appellante haar bedrijfsuitoefening feitelijk al in 2016 is gestart, waardoor de startersregeling niet van toepassing is en de referentie-omzet gebaseerd moet zijn op het kalenderjaar 2019. De rechtbank vond dat de minister de subsidies terecht op nihil heeft vastgesteld en de terugvordering terecht was, ook al leidde dit tot nadelige gevolgen voor appellante.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij pas in juni 2020 daadwerkelijk is gestart en dat de toepassing van de hoofdregel onevenredig is. De Raad heeft dit beroep verworpen, bevestigde dat de bedrijfsuitoefening vóór 2019 is begonnen en dat de regeling geen hardheidsclausule kent. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagde niet, omdat appellante niet voldoende heeft onderbouwd dat de nadelige gevolgen onevenredig zijn.
De Raad benadrukte dat appellante bij het aanvragen van de subsidies op de hoogte had kunnen zijn van de toepasselijke regels en het risico van terugvordering heeft aanvaard. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de terugvordering blijft gehandhaafd.
Uitkomst: De subsidies worden op nihil vastgesteld en de terugvordering van voorschotten van €148.257,- blijft gehandhaafd.