ECLI:NL:CRVB:2025:1741

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
23/2848 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over WGA-vervolguitkering en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

In deze zaak gaat het om de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellante door het Uwv, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid per 24 november 2018 en per 26 september 2019 ter discussie staat. Appellante heeft een WGA-vervolguitkering aangevraagd, maar het Uwv heeft haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op respectievelijk 65,71% en 68,33%. Appellante betwist deze percentages en stelt dat zij geen benutbare mogelijkheden heeft. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraken van de rechtbank Amsterdam, die de besluiten van het Uwv in stand hebben gelaten. De Raad oordeelt dat de deskundige rapporten overtuigend zijn en dat appellante niet voldoende medische onderbouwing heeft geleverd voor haar stellingen. Daarnaast heeft appellante verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wat wordt toegewezen. De Raad oordeelt dat de redelijke termijn met twee jaar en zeven maanden is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 3.000,-. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van deze schade en de proceskosten van appellante.

Uitspraak

23/2848 WIA, 23/2863 WIA
Datum uitspraak: 27 november 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2023, 19/6455 (aangevallen uitspraak 1), 21/2600 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaken over de vraag of het Uwv appellante met ingang van 24 november 2018 terecht een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet WIA, op basis van 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid heeft toegekend. Daarnaast gaat het over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante op 26 september 2019 68,33% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij per beide data geen benutbare mogelijkheden, of in elk geval meer medische beperkingen dan zijn aangenomen en zijn de geselecteerde functies niet passend voor haar. De Raad komt tot het oordeel dat beide schattingen in stand kunnen blijven.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroepen ingesteld en tevens verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft vragen gesteld aan het Uwv.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Appellante heeft verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband hiermee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft nadere vragen gesteld aan het Uwv.
Het Uwv heeft een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 18 juli 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
Na afloop van de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en vragen gesteld aan het Uwv.
Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.
Appellante heeft een reactie ingediend.
De Raad heeft partijen laten weten dat de Raad een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een nadere zitting en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als verpleegkundige voor 31,95 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 19 november 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 6 april 2012 in aanmerking gebracht voor een WGAloonaanvullingsuitkering, waarbij appellante onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.
1.2.
In verband met een herbeoordeling heeft het Uwv na een medisch- en een arbeidskundig onderzoek bij besluit van 23 november 2016 vastgesteld dat appellante per 22 november 2016 64,52% arbeidsongeschikt is. Met de beslissing op bezwaar van 1 juni 2017 heeft het Uwv het bezwaar dat appellante hiertegen heeft ingediend gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 november 2016 vastgesteld op 64,88%. Het Uwv heeft de WGA-loonaanvullingsuitkering voortgezet tot 24 november 2018. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep dat appellante hiertegen heeft ingesteld met een uitspraak van 11 januari 2019 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 augustus 2021 [1] heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Verzoek om een herbeoordeling door de (ex) werkgever
1.3.
Op 5 december 2018 heeft de (ex-) werkgever van appellante het Uwv verzocht om een herbeoordeling per 24 november 2018. Na een medisch- en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 19 maart 2019 vastgesteld dat appellante per 11 maart 2019 65,96% arbeidsongeschikt is en met ingang van 1 juni 2019 recht heeft op een WGAvervolguitkering op basis van 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid.
Bestreden besluit 1
1.3.1.
Bij besluit van 24 oktober 2019 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar dat appellante tegen het besluit van 19 maart 2019 heeft gemaakt gegrond verklaard. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante met ingang van 24 november 2018 65,71% arbeidsongeschikt is en per deze datum recht heeft op een WGA-vervolguitkering op basis van 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid. Hieraan liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 oktober 2019, een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 oktober 2019, een set gegevens van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) van 21 oktober 2019 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 oktober 2019 ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft appellante in staat geacht tot het verrichten van de functies van Productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), Machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122) en Huishoudelijk medewerker (SBC-code 111334).
Melding toegenomen medische klachten
1.4.
Appellante heeft zich bij haar (ex-) werkgever gemeld met toegenomen medische klachten per 26 september 2019. Na een medisch- en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 21 april 2020 vastgesteld dat appellante per 26 september 2019 80 tot 100% arbeidsongeschikt is omdat onvoldoende passende functies voor haar kunnen worden geselecteerd. Met ingang van 1 december 2019 heeft appellante recht heeft op een WGAloonaanvullingsuitkering.
1.4.1.
Naar aanleiding van het bezwaar dat de (ex-) werkgever van appellante tegen het besluit van 21 april 2020 heeft gemaakt, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid van appellante per 26 september 2019 neergelegd in een FML van 27 oktober 2020. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft functies voor appellante geselecteerd en geconcludeerd dat appellante 66,93% arbeidsongeschikt is. Dit zijn de functies van Machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122), Administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100), Medewerker tuinbouw (SBC-code 111010), Productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en Papierwarenmaker (SBC-code 268040). Op 1 december 2020 heeft het Uwv het voornemen aangekondigd dat appellante per 26 september 2019 66,93% arbeidsongeschikt wordt beschouwd en dat de WGA-loonaanvullingsuitkering wordt voortgezet tot 1 december 2022. In reactie op het bezwaar dat appellante tegen dit voornemen heeft gemaakt, hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nader gerapporteerd.
Bestreden besluit 2
1.4.2.
Bij besluit van 29 maart 2021 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het door de (ex-)werkgever gemaakte bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat appellante per 26 september 2019 66,93% arbeidsongeschikt is en haar WGA-loonaanvullingsuitkering tot 1 december 2022 wordt voortgezet.
Uitspraken van de rechtbank
2. Met een tussenuitspraak van 7 april 2021 heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit 1 onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 7:12, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het Uwv onder toepassing van artikel 8:51a, van de Awb, in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. In dit verband heeft het Uwv zijn reactie gegeven, waar appellante op heeft gereageerd. In reactie daarop heeft het Uwv nadere stukken ingediend.
3. De rechtbank heeft vervolgens L. Greveling-Fockens, verzekeringsarts (deskundige), benoemd als onafhankelijke deskundige. De deskundige heeft dossierstudie verricht, waarbij zij de beschikbare informatie uit de behandelend sector heeft gelezen en appellante tevens heeft gezien op een spreekuur. De deskundige heeft op 7 september 2022 een rapport uitgebracht en daarin gemotiveerd dat van volledige arbeidsongeschiktheid op 24 november 2018 en op 26 september 2019 geen sprake was omdat appellante niet voldeed aan de daarvoor geldende criteria. Op beide data was sprake van een depressieve stoornis, de ziekte van Crohn, de ziekte van Bechterew en anemie. Wat betreft de ziekte van Crohn per 24 november 2018 heeft de deskundige overwogen dat appellante bij de primaire verzekeringsarts heeft aangegeven dat zij hiervoor eenmaal per jaar een controle heeft, geen medicatie gebruikt, noch klachten heeft en in bezwaar heeft aangegeven driemaal per dag naar het toilet te moeten. Dit maakt dat specifieke beperkingen niet aannemelijk zijn en de darmklachten overigens ook lijken te kunnen passen bij een allergische reactie of overgevoeligheid voor lactose, waarmee rekening kan worden gehouden in het dieet. Omdat door appellante per 24 november 2018 geen schouderklachten zijn benoemd en uit de gegevens van de behandelend sector ook niet blijkt dat daarvan sprake is of dat zij hiervoor behandeld wordt, is er geen reden om haar beperkt te achten voor werken boven schouderhoogte. Met een urenbeperking van 6 uur per dag, 30 uur per week op basis van verminderde energetische belastbaarheid per 24 november 2018 wordt in voldoende mate tegemoetgekomen aan de vermoeidheidsklachten, voortvloeiend uit de combinatie van diagnoses waarmee appellante bekend is. Redenen voor een verdergaande urenbeperking zijn niet aanwezig. De deskundige heeft geconcludeerd dat appellante per 24 november 2018 belastbaar overeenkomstig de FML van 24 juni 2022 is, maar dan zonder de beperking voor het werken boven schouderhoogte. Tevens geldt de aanvullende beperking voor item 2.12.6 dat appellante  naast de reeds aangenomen beperking voor item 1.9.4; geen afleiding door activiteiten van anderen  is aangewezen op een prikkelarme werkomgeving en dient de urenbeperking aangescherpt te worden van 32 uur naar 30 uur per week. De deskundige heeft voorts overwogen dat appellante op 26 september 2019 enkele weken zwanger was, wat zij zelf echter nog niet wist. Daarnaast was op 26 september 2019 sprake van verhoogde spanningen en stress. Naast de al aangenomen beperkingen voor stresserende factoren in arbeid, geldt vanaf dat moment ook een beperking voor veelvuldige storingen en onderbrekingen. Aanleiding voor structurele aanvullende beperkingen per 26 september 2019 in verband met de ziekte van Crohn, dan wel haar darmklachten, is niet aanwezig gelet op het incidentele karakter ervan. Tijdens het spreekuur van de deskundige heeft appellante aangegeven soms, als zij klachten heeft, vijf tot zeven maal per dag ontlasting te hebben waarbij zij zo nodig direct een toilet in de nabijheid moet kunnen opzoeken, wat met name het geval is wanneer zij iets van melkproducten heeft genuttigd. Verder heeft zij geen melding gemaakt van specialistenbezoek of een tijdelijk noodzakelijke behandeling met medicatie. Aanwijzingen voor toegenomen beperkingen per 26 september 2019 voortvloeiend uit de ziekte van Bechterew zijn ook niet aanwezig en redenen voor een verdergaande urenbeperking worden evenmin gezien. De deskundige heeft geconcludeerd dat appellante op 26 september 2019 belastbaar overeenkomstig de FML van 27 oktober 2020 is, maar dan zonder de beperking voor item 3.10.1 (ioniserende straling, toxische stoffen en toxoplasmose) en het werken boven schouderhoogte. Als aanvullende beperking geldt dat zij is aangewezen op werkzaamheden zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, ten aanzien van frequent buigen is appellante beperkt (in plaats van licht beperkt) en dient de urenbeperking te worden aangescherpt naar 6 uur per dag; 30 uur per week.
3.1.
Het Uwv heeft een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 september 2022, een FML van 26 september 2022, geldend per 26 september 2019 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 oktober 2022, waarbij is verwezen naar een set CBBS-gegevens van 3 oktober 2022, betrekking hebbend op 26 september 2019, ingediend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft appellante in staat geacht tot het verrichten van de functies van Machinaal metaalbewerker en Productiemedewerker industrie. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft zich daarnaast gebaseerd op de  op 21 oktober 2019 geselecteerde  functie van Huishoudelijk medewerker en geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 26 september 2019 68,33% bedraagt. Het Uwv heeft tevens een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 juni 2023, een FML van 19 juni 2023, geldend per 24 november 2018, een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 juni 2023 en een set CBBS-gegevens van 27 juni 2023, betrekking hebbend op 24 november 2018, ingediend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft appellante in staat geacht tot het verrichten van de functies van Produktiemedewerker industrie, Machinaal metaalbewerker en Huishoudelijk medewerker.
Aangevallen uitspraak 1
3.2.
De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, het bestreden besluit 1 vernietigd en de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit in stand gelaten. Tevens heeft de rechtbank het Uwv opgedragen het door appellante betaalde griffierecht te vergoeden en het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 3 november 2017 [2] heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige in beginsel volgt, als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich hier voor. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv met de FML van 19 juni 2023 voldoende tegemoet is gekomen aan de medische toestand van appellante per 24 november 2018. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het bestreden besluit  zij het pas in beroep  is voorzien van een deugdelijke arbeidskundige grondslag.
Aangevallen uitspraak 2
3.3.
De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, het bestreden besluit 2 vernietigd en bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 26 september 2019 68,33% bedraagt. Tevens heeft de rechtbank het Uwv opgedragen het door appellante betaalde griffierecht te vergoeden en het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 3 november 2017 heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige in beginsel volgt, als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich ook hier voor. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv met de FML van 26 september 2022 voldoende tegemoet is gekomen aan de medische toestand van appellante per 26 september 2019. Verder is de rechtbank niet gebleken dat appellante de werkzaamheden die horen bij de functieselectie van 3 oktober 2022, niet zou kunnen verrichten.
Hoger beroep
Het standpunt van appellante
4. Appellante is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Volgens appellante is het rapport van de deskundige niet concludent en beschikte zij per 24 november 2018 en per 26 september 2019 niet over benutbare mogelijkheden. Daarnaast zijn per beide data onvoldoende beperkingen aangenomen in verband met de depressieve stoornis, de ziekte van Crohn, de ziekte van Bechterew en de anemie waaraan zij lijdt. De beperking voor item 3.10.1 is bij de schatting per 26 september 2019 ten onrechte komen te vervallen, omdat een ongeboren kind in de eerste drie maanden van de zwangerschap erg kwetsbaar voor schadelijke effecten van ioniserende stralen en toxische stoffen is. De geselecteerde functies zijn niet passend en zij heeft verwezen naar wat zij in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd. Tot slot heeft appellante naar voren gebracht dat zij wettelijke rente vergoed wil hebben en dat zij vanaf 30 weken zwangerschap 80 tot 100% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.
Aanvullende stukken van het Uwv
4.1.
In reactie op de door de Raad gestelde vragen heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een FML van 3 juli 2024, geldend per 26 september 2019 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 4 juli 2024 ingediend. Vervolgens heeft het Uwv een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 juli 2024 ingediend. Tot slot heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een FML van 13 augustus 2024, geldend per 26 september 2019, een set CBBSgegevens van 14 augustus 2024, betrekking hebbend op 26 september 2019 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 augustus 2024 ingediend.

Het oordeel van de Raad

23/2848: schatting per 24 november 2018
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
5.2.
De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat de deskundige haar conclusies ten aanzien van de belastbaarheid van appellante per 24 november 2018 overtuigend heeft gemotiveerd. Appellante heeft haar standpunt dat het rapport van de deskundige niet concludent is en dat zij niet beschikt over benutbare mogelijkheden, niet onderbouwd met medisch objectiveerbare gegevens.
5.2.1.
De rechtbank wordt tevens gevolgd in het oordeel dat het Uwv met de FML van 19 juni 2023 voldoende tegemoet is gekomen aan de medische toestand van appellante per 24 november 2018 en dat er sprake is van een deugdelijke arbeidskundige grondslag. De overwegingen die aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden geheel onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
5.2.2.
Appellante heeft haar stelling, dat zij per 24 november 2018 verdergaand beperkt is, niet onderbouwd met nieuwe medische gegevens. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 26 augustus 2024 – na overleg met de arbeidskundig analist en tevens in overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep  overtuigend gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante. In de functie van Produktiemedewerker industrie is geen sprake van afleidende prikkels omdat de zoemende geluiden van de draaiende machines een continu geluid zijn, waarbij men wordt afgeschermd door tussenschotten van 1.70 meter hoog en zo nodig “noise cancelling” gehoorbescherming kan dragen. Het werk dient verder met aandacht te worden gedaan, waardoor men zich richt op het eigen werk en tussen de functionarissen onderling weinig of nauwelijks wordt gepraat. Daarnaast blijkt uit de analyse van de arbeidskundig analist dat in de functie van Machinaal metaalbewerker geen sprake is van  visueel of auditief  substantiële prikkels en de weefgetouwen geen lawaai maken. Ook het persoonlijk contact met patiënten in de functie van Huishoudelijk medewerker gebouwen is minimaal en het contact met bezoekers in deze functie is niet substantieel. De werkomgeving is rustig en passend voor appellante, zonder te veel afleiding door anderen. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep reeds in het rapport van 22 oktober 2019 afdoende uiteengezet dat de functies voldoen aan de voorwaarde dat geen sprake mag zijn van afleiding door activiteiten van anderen. In de functies komen geen bovenmatige afleidingen op de werkvloer voor en er is sprake van eenduidige, routinematige werkzaamheden, waarbij men aan een eigen, specifieke taak werkt die sequentieel wordt afgehandeld.

Conclusie en gevolgen

5.3.
Het hoger beroep 23/2848 slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak 1 wordt bevestigd. Dit betekent tevens dat appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht krijgt.
23/2863: schatting per 26 september 2019
6. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank terecht bepaald heeft dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 26 september 2019 68,33% is. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
6.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medisch
6.2.
De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat appellante per 26 september 2019 68,33% arbeidsongeschikt is. Aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv met de FML van 13 augustus 2024 onvoldoende tegemoet is gekomen aan de medische toestand van appellante per 26 september 2019 zijn niet aanwezig. In zijn rapport van 3 juli 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep  in afwijking van de deskundige  op basis van een zwangerschapsduur van 4 à 5 weken per 26 september 2019  weer  een beperking aangenomen voor item 3.10.1. Deze houdt in dat rekening moet worden gehouden met de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfskunde “Zwangerschap, Postpartumperiode en Werk”. In de FML van 13 augustus 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep item 6.3.2; de urenbeperking nog gecorrigeerd van 32 naar 30 uren per week. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de deskundige haar conclusies ten aanzien van de belastbaarheid van appellante per 26 september 2019  afgezien van item 3.10.1  overtuigend heeft gemotiveerd. Appellante heeft haar standpunt dat het rapport van de deskundige niet concludent is en dat zij niet beschikt over benutbare mogelijkheden, niet onderbouwd met medisch objectiveerbare gegevens. Ook haar stelling dat zij verdergaand beperkt is, heeft appellante niet met nieuwe medische gegevens onderbouwd. Verder valt de beoordeling van haar medische toestand bij 30 weken zwangerschap buiten de omvang van het geding.
Arbeidskundig
6.3.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 4 juli 2024 en 26 augustus 2024 afdoende gemotiveerd dat de functies binnen de functionele mogelijkheden van appellante passen. In de functie van Produktiemedewerker industrie vindt gerichte afzuiging aan de bron plaats. In de functie van Machinaal metaalbewerker komen medewerkers niet in aanraking met metalen. In de functie van Huishoudelijk medewerker kan de medewerker handschoenen dragen om huidcontact met water, ontkalker en afval te voorkomen en moet de werkgever zo nodig zorgen voor alternatieve schoonmaakmiddelen om de veiligheid van de zwangere werkneemster en de baby garanderen.

Conclusie en gevolgen

6.4.
Het hoger beroep 23/2863 slaagt niet. De aangevallen uitspraak 2 wordt bevestigd.
6.4.1.
Omdat het Uwv de medische grondslag van de schatting per 26 september 2019 pas in hoger beroep heeft aangeleverd, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die appellante in deze zaak in hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 2.267,50 (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van de reactie van 7 januari 2025, met een waarde per punt van € 907,-). Ook moet het Uwv het door appellante in deze zaak betaalde griffierecht vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
7. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
7.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
7.2.
De zaken over beide schattingen hebben betrekking op hetzelfde onderwerp. Daarom wordt voor beide zaken slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.
7.3.
Vanaf de ontvangst door het Uwv op 1 mei 2019 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en (afgerond) zeven maanden verstreken. De zaken zelf, die niet als complex zijn aan te merken, en ook de opstelling van appellante geven geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en (afgerond) zeven maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 3.000,-. De termijnoverschrijding wordt in zijn geheel aan de Staat toegerekend. Tevens is er aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten die appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 453,50 (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift met een wegingsfactor van 0,5, met een waarde per punt van € 907,-)
.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank van 30 augustus 2023, 19/6455;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank van 30 augustus 2023, 21/2600;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.267,50;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.000,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 453,50;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) C.M. Snellenberg

Voetnoten

1.CRvB 4 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1966.
2.CRvB 3 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3822.