1.4.1.Naar aanleiding van het bezwaar dat de (ex-) werkgever van appellante tegen het besluit van 21 april 2020 heeft gemaakt, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid van appellante per 26 september 2019 neergelegd in een FML van 27 oktober 2020. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft functies voor appellante geselecteerd en geconcludeerd dat appellante 66,93% arbeidsongeschikt is. Dit zijn de functies van Machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122), Administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100), Medewerker tuinbouw (SBC-code 111010), Productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en Papierwarenmaker (SBC-code 268040). Op 1 december 2020 heeft het Uwv het voornemen aangekondigd dat appellante per 26 september 2019 66,93% arbeidsongeschikt wordt beschouwd en dat de WGA-loonaanvullingsuitkering wordt voortgezet tot 1 december 2022. In reactie op het bezwaar dat appellante tegen dit voornemen heeft gemaakt, hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nader gerapporteerd.
1.4.2.Bij besluit van 29 maart 2021 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het door de (ex-)werkgever gemaakte bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat appellante per 26 september 2019 66,93% arbeidsongeschikt is en haar WGA-loonaanvullingsuitkering tot 1 december 2022 wordt voortgezet.
Uitspraken van de rechtbank
2. Met een tussenuitspraak van 7 april 2021 heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit 1 onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 7:12, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het Uwv onder toepassing van artikel 8:51a, van de Awb, in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. In dit verband heeft het Uwv zijn reactie gegeven, waar appellante op heeft gereageerd. In reactie daarop heeft het Uwv nadere stukken ingediend.
3. De rechtbank heeft vervolgens L. Greveling-Fockens, verzekeringsarts (deskundige), benoemd als onafhankelijke deskundige. De deskundige heeft dossierstudie verricht, waarbij zij de beschikbare informatie uit de behandelend sector heeft gelezen en appellante tevens heeft gezien op een spreekuur. De deskundige heeft op 7 september 2022 een rapport uitgebracht en daarin gemotiveerd dat van volledige arbeidsongeschiktheid op 24 november 2018 en op 26 september 2019 geen sprake was omdat appellante niet voldeed aan de daarvoor geldende criteria. Op beide data was sprake van een depressieve stoornis, de ziekte van Crohn, de ziekte van Bechterew en anemie. Wat betreft de ziekte van Crohn per 24 november 2018 heeft de deskundige overwogen dat appellante bij de primaire verzekeringsarts heeft aangegeven dat zij hiervoor eenmaal per jaar een controle heeft, geen medicatie gebruikt, noch klachten heeft en in bezwaar heeft aangegeven driemaal per dag naar het toilet te moeten. Dit maakt dat specifieke beperkingen niet aannemelijk zijn en de darmklachten overigens ook lijken te kunnen passen bij een allergische reactie of overgevoeligheid voor lactose, waarmee rekening kan worden gehouden in het dieet. Omdat door appellante per 24 november 2018 geen schouderklachten zijn benoemd en uit de gegevens van de behandelend sector ook niet blijkt dat daarvan sprake is of dat zij hiervoor behandeld wordt, is er geen reden om haar beperkt te achten voor werken boven schouderhoogte. Met een urenbeperking van 6 uur per dag, 30 uur per week op basis van verminderde energetische belastbaarheid per 24 november 2018 wordt in voldoende mate tegemoetgekomen aan de vermoeidheidsklachten, voortvloeiend uit de combinatie van diagnoses waarmee appellante bekend is. Redenen voor een verdergaande urenbeperking zijn niet aanwezig. De deskundige heeft geconcludeerd dat appellante per 24 november 2018 belastbaar overeenkomstig de FML van 24 juni 2022 is, maar dan zonder de beperking voor het werken boven schouderhoogte. Tevens geldt de aanvullende beperking voor item 2.12.6 dat appellante naast de reeds aangenomen beperking voor item 1.9.4; geen afleiding door activiteiten van anderen is aangewezen op een prikkelarme werkomgeving en dient de urenbeperking aangescherpt te worden van 32 uur naar 30 uur per week. De deskundige heeft voorts overwogen dat appellante op 26 september 2019 enkele weken zwanger was, wat zij zelf echter nog niet wist. Daarnaast was op 26 september 2019 sprake van verhoogde spanningen en stress. Naast de al aangenomen beperkingen voor stresserende factoren in arbeid, geldt vanaf dat moment ook een beperking voor veelvuldige storingen en onderbrekingen. Aanleiding voor structurele aanvullende beperkingen per 26 september 2019 in verband met de ziekte van Crohn, dan wel haar darmklachten, is niet aanwezig gelet op het incidentele karakter ervan. Tijdens het spreekuur van de deskundige heeft appellante aangegeven soms, als zij klachten heeft, vijf tot zeven maal per dag ontlasting te hebben waarbij zij zo nodig direct een toilet in de nabijheid moet kunnen opzoeken, wat met name het geval is wanneer zij iets van melkproducten heeft genuttigd. Verder heeft zij geen melding gemaakt van specialistenbezoek of een tijdelijk noodzakelijke behandeling met medicatie. Aanwijzingen voor toegenomen beperkingen per 26 september 2019 voortvloeiend uit de ziekte van Bechterew zijn ook niet aanwezig en redenen voor een verdergaande urenbeperking worden evenmin gezien. De deskundige heeft geconcludeerd dat appellante op 26 september 2019 belastbaar overeenkomstig de FML van 27 oktober 2020 is, maar dan zonder de beperking voor item 3.10.1 (ioniserende straling, toxische stoffen en toxoplasmose) en het werken boven schouderhoogte. Als aanvullende beperking geldt dat zij is aangewezen op werkzaamheden zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, ten aanzien van frequent buigen is appellante beperkt (in plaats van licht beperkt) en dient de urenbeperking te worden aangescherpt naar 6 uur per dag; 30 uur per week.