ECLI:NL:CRVB:2025:166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verblijf langer dan vier weken in buitenland zonder zeer dringende redenen
Appellante verbleef zonder voorafgaande melding langer dan de toegestane vier weken in het buitenland, namelijk van 29 mei 2021 tot 11 september 2021, en keerde pas terug nadat haar paspoort was verlopen. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok daarop de bijstand in over de periode van 1 augustus tot en met 11 september 2021, omdat zij op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet was uitgesloten van bijstand.
Appellante voerde aan dat zij wegens ziekte en ziekenhuisopname in het buitenland en het verlopen van haar paspoort niet eerder kon terugkeren, wat volgens haar zeer dringende redenen vormde om toch bijstand te verlenen op grond van artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet. De rechtbank wees dit beroep af en stelde dat het niet beschikken over een geldig paspoort geen acute noodsituatie oplevert.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en oordeelde dat appellante geen acute noodsituatie aannemelijk had gemaakt. Haar ontslag uit het ziekenhuis was al op 8 juni 2021, ruim vóór het verlopen van het paspoort. Ook de doorlopende vaste lasten in Nederland vormden geen reden voor bijstand. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand gehandhaafd.
De Raad besloot dat het college geen bijstand hoeft na te betalen en dat appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak werd gedaan door J.T.H. Zimmerman op 21 januari 2025.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens verblijf langer dan vier weken in het buitenland zonder zeer dringende redenen wordt bevestigd.