In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van bijstand van appellant, die sinds 9 augustus 2001 bijstand ontving op basis van de Wet werk en bijstand. De intrekking is gebaseerd op het feit dat appellant als bestuurder van een stichting feitelijk kon beschikken over onroerend goed en kasstortingen van de stichting. De rechtbank Oost-Brabant had eerder de besluiten van het college in stand gelaten, maar appellant is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 23 september 2025 is de zaak behandeld, waarbij appellant werd bijgestaan door zijn advocaat, mr. L.L. Ross, en het college werd vertegenwoordigd door mr. M. Yesildag. De Raad heeft geoordeeld dat appellant in de te beoordelen periode als bestuurder van de stichting over de middelen kon beschikken, en dat de stichting een schijnconstructie was. Echter, het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is toegewezen, omdat de procedure meer dan acht jaar heeft geduurd. De Raad heeft de eerdere uitspraak van de rechtbank vernietigd voor wat betreft de schadevergoeding en het college veroordeeld tot betaling van € 9.000,- aan appellant. De intrekking en terugvordering van bijstand blijven in stand, evenals de proceskostenvergoeding van € 1.814,- aan appellant.