ECLI:NL:CRVB:2025:1618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening en terugvordering WIA-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante ontving sinds 2014 een WIA-uitkering die in 2018 door het UWV werd herzien vanwege inkomsten uit een hennepkwekerij en werkzaamheden bij uitzendbureaus. Het UWV vorderde onverschuldigd betaalde uitkeringen terug en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellante maakte bezwaar en verzocht om herziening van het besluit, stellende dat er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren, onder meer verwijzend naar een vonnis van de politierechter uit 2019.
De rechtbank Noord-Holland oordeelde dat het UWV het bezwaar als een verzoek om herziening moest behandelen, maar wees het verzoek af omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd. Appellante weigerde het vonnis van de politierechter te overleggen, waardoor het UWV geen nieuwe inhoudelijke beoordeling kon maken. De rechtbank vond het niet evident onredelijk om niet terug te komen op het besluit.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 Awb Pro. De enkele verwijzing naar het vonnis zonder overlegging daarvan is onvoldoende. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de WIA-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.