ECLI:NL:CRVB:2025:1567
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting ondanks pleegouderstatus
Appellante ontvangt sinds 2007 bijstand en zorgt voor twee pleegkinderen. Het college herzag haar bijstand na constatering van contante stortingen en bijschrijvingen op haar bankrekeningen in 2021, die zij niet had gemeld. Het college kwalificeerde deze bedragen als inkomen en vorderde €4.190,56 terug.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en liet het besluit in stand. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de bedragen niet haar inkomen waren, maar bestemd voor pleegkinderen en derden, en dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen vanwege haar maatschappelijke rol als pleegouder.
De Raad oordeelde dat de bedragen als middelen worden beschouwd waarover appellante redelijkerwijs kon beschikken en dat zij de inlichtingenverplichting schond. De enkele stelling dat de bedragen niet voor haar bestemd waren, was onvoldoende onderbouwd. Ook waren er geen dringende redenen om terugvordering af te zien; appellante had onvoldoende concrete gegevens over de gevolgen en kon gebruikmaken van beschermende regels zoals de beslagvrije voet. Het hoger beroep werd afgewezen en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en wijst het hoger beroep af.