Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 mei 2024 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft vanaf februari 2020 studiefinanciering ontvangen, waarvan een deel is omgezet in een gift en een deel als schuld bij DUO staat. Op 5 januari 2022 vroeg zij kwijtschelding van haar studieschuld aan wegens psychische klachten, maar dit verzoek werd op 21 maart 2022 afgewezen. Een bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
Op 9 mei 2023 diende appellante een nieuw verzoek in tot kwijtschelding, dat eveneens werd afgewezen op 19 januari 2024 omdat het een herhaald verzoek betrof zonder nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het afwijzende besluit ongegrond.
De minister handhaafde dit besluit op bezwaar op 1 mei 2024. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en het besluit. De Raad oordeelde dat de minister terecht het verzoek afwees omdat er geen nieuwe feiten waren en het besluit niet evident onredelijk was. Tevens was het niet verplicht een dwangsom op te leggen en had appellante geen recht op vergoeding van het griffierecht. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere besluiten bevestigd.
Uitkomst: Het herhaalde verzoek om kwijtschelding van de studieschuld wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.