ECLI:NL:CRVB:2025:1385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor proceskosten en buitenbehandelingstelling aanvraag verhuis- en inrichtingskosten
Appellant had bijzondere bijstand aangevraagd voor proceskosten na een vonnis waarbij hij werd veroordeeld tot het betalen van proceskosten in een ontruimingsprocedure. Het college wees deze aanvraag af op grond van artikel 13 lid 1 onder Pro g van de Participatiewet, omdat het ging om een schuld waarvoor geen bijzondere bijstand wordt verleend. Daarnaast vroeg appellant bijzondere bijstand voor verhuis-, stofferings- en inrichtingskosten, maar leverde onvoldoende bewijsstukken aan ondanks herhaalde verzoeken van het college. Hierdoor stelde het college deze aanvraag buiten behandeling.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde de besluiten. Appellant stelde dat bijzondere bijstand voor proceskosten niet afgewezen mag worden omdat het altijd om schulden gaat en dat de aanvraag voor verhuis- en inrichtingskosten wel inhoudelijk beoordeeld had moeten worden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat bijzondere bijstand voor proceskosten terecht is afgewezen omdat het een aanvraag om bijstand voor een schuld betreft en het college niet verplicht is hiervan af te wijken zonder zeer dringende redenen.
Verder werd bevestigd dat het college een aanvraag buiten behandeling mag stellen als noodzakelijke gegevens ontbreken en de aanvrager niet binnen gestelde termijnen aan aanvulverzoeken voldoet. Appellant had de gevraagde stukken niet aangeleverd, waardoor het college niet kon beoordelen of de kosten zich voordeden. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de bestreden besluiten bleven in stand. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor proceskosten en het buiten behandeling stellen van de aanvraag voor verhuis- en inrichtingskosten worden bevestigd.