ECLI:NL:CRVB:2025:1380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
College mag pgb-uurtarief voor jeugdhulp door ouders vaststellen op minimumloon
Appellant, een jeugdige met ernstige gezondheidsproblemen, ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor jeugdhulp die door zijn ouders werd geleverd. Het college van burgemeester en wethouders van Breda stelde het uurtarief voor deze hulp vast op het wettelijk minimumloon. Appellant maakte bezwaar tegen dit tarief en startte een beroepsprocedure.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand. In hoger beroep stelde appellant dat het pgb-tarief niet op het minimumloon mocht worden vastgesteld, verwijzend naar eerdere uitspraken over de Wmo 2015. De Raad oordeelde echter dat de situatie bij de Jeugdwet anders is en dat het college binnen haar bevoegdheid handelde door het tarief op het minimumloon te baseren.
De Raad verwees naar de wetsgeschiedenis en een recente kamerbrief van de staatssecretaris, waaruit blijkt dat een minimumloon als pgb-tarief voor hulp uit het sociaal netwerk toereikend wordt geacht. De Raad concludeerde dat appellant met het gehanteerde tarief in staat is de benodigde jeugdhulp in te kopen en wees het hoger beroep af. Hierdoor blijft het bestreden besluit van 11 december 2023 ongewijzigd.
Uitkomst: Het college mocht het pgb-uurtarief voor jeugdhulp door ouders vaststellen op het wettelijk minimumloon, waardoor het hoger beroep wordt afgewezen.