ECLI:NL:CRVB:2025:1311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar WAO-uitkering en inhoudelijke beoordeling
Appellant, een voormalig tuinbouwmedewerker die sinds 1994 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt is, verzocht herhaaldelijk om toekenning van een WAO-uitkering. Het UWV wees deze verzoeken af vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden sinds het oorspronkelijke besluit van 21 november 2006, waarbij een uitkering werd geweigerd wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.
In de huidige procedure werd het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 juli 2022 door het UWV niet-ontvankelijk verklaard wegens vermeende te late indiening van de gronden. De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkverklaring, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant tijdig gronden heeft ingediend en dat de rechtbank ten onrechte vasthield aan een termijn die niet hernieuwd was na onbestelbare post.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en de niet-ontvankelijkverklaringen van het UWV. Vervolgens beoordeelt de Raad het bezwaar inhoudelijk en concludeert dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven om het oorspronkelijke besluit te herzien. Het bezwaar wordt daarom ongegrond verklaard.
De Raad bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellant moet vergoeden en dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en verklaart het bezwaar ongegrond.