Appellant, die aanvankelijk geen verblijfsvergunning had, ontving tot juli 2020 een WW-uitkering. Na het verkrijgen van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per september 2019, vroeg hij bijstand aan met terugwerkende kracht over de periode juli 2020 tot mei 2021. Het dagelijks bestuur wees deze aanvragen en een herzieningsverzoek af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet in zijn noodzakelijke kosten van bestaan kon voorzien en schulden had gemaakt.
Appellant voerde aan dat hij geld had geleend om in zijn levensonderhoud te voorzien, onderbouwd met drie leningsovereenkomsten ter waarde van €10.600,-. De Raad oordeelde dat deze overeenkomsten onvoldoende bewijs vormden voor het volledige bedrag, maar dat een deel van €1.098,50 wel aannemelijk was gemaakt op basis van bankafschriften en verklaringen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor het deel van de aanvraag over de periode 25 augustus 2020 tot 27 mei 2021 en kende appellant bijstand toe tot €1.098,50. De afwijzing van de aanvraag over de periode 11 juli tot 25 augustus 2020 en het herzieningsverzoek bleef in stand. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht.
De uitspraak benadrukt de bewijslast van de aanvrager bij bijstand met terugwerkende kracht en de zorgvuldige toetsing door het bestuursorgaan, waarbij bijzondere omstandigheden gelden voor vreemdelingen met terugwerkende verblijfsvergunning.