Uitspraak
PROCESVERLOOP
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, met de Nederlandse nationaliteit, is begin 2021 vanuit Curaçao naar Nederland gekomen en heeft kinderbijslag aangevraagd voor haar kinderen over het tweede kwartaal van 2021. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellante op de peildatum 1 april 2021 nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en dus geen ingezetene was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij werd meegewogen dat appellante weliswaar de intentie had zich definitief in Nederland te vestigen, maar dat deze intentie niet werd ondersteund door objectieve factoren zoals het ontbreken van een duurzame woonruimte, het korte verblijf en het ontbreken van werk of andere wezenlijke bindingen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar uitschrijving uit Curaçao, inschrijving in Nederland, het bezit van de Nederlandse nationaliteit en het ontvangen van een bijstandsuitkering wel voldoende objectieve factoren waren. De Raad oordeelde echter dat deze omstandigheden onvoldoende waren om ingezetenschap aan te nemen.
De Raad volgde daarmee het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat appellante op de peildatum geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en dus geen recht op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2021. Het hoger beroep werd verworpen en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2021 omdat zij op de peildatum geen ingezetene van Nederland was.