ECLI:NL:CRVB:2024:777
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering terugkomen op beëindiging Ziektewetuitkering wegens slaapapneu
Appellant, een voormalig internationaal chauffeur, kreeg op 14 september 2018 een besluit van het UWV waarbij zijn Ziektewetuitkering werd beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. Appellant stelde later dat hij leed aan slaapapneu, een diagnose die destijds niet bekend was, en verzocht het UWV terug te komen op het besluit. Het UWV weigerde dit na onderzoek door verzekeringsartsen, die concludeerden dat de slaapapneu geen invloed had op de belastbaarheid op de beslisdatum.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond en liet het besluit in stand. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep en voerde aan dat de slaapapneu een nieuw feit vormde en dat een deskundige benoemd moest worden om zijn belastbaarheid vast te stellen.
De Raad oordeelde dat het telefonisch contact met de verzekeringsarts voldoende was en dat de latere diagnose slaapapneu geen ander beeld gaf van de belastbaarheid op 15 oktober 2018. De verzekeringsartsen hadden dit inzichtelijk gemotiveerd en het verzoek van appellant om een deskundige werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht weigerde terug te komen op het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering.