Betrokkene vroeg bijzondere bijstand aan voor reiskosten vanaf 2017 naar haar meervoudig gehandicapte dochter die in een pleeggezin woont. Het college wees de aanvraag af, omdat betrokkene de kosten niet voldoende onderbouwde en omdat reiskosten in principe tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren die door de bijstandsnorm worden gedekt.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de reiskosten na het bestreden besluit wel als noodzakelijk konden worden gezien, maar gaf het college de gelegenheid om de draagkracht van betrokkene te bepalen. Het college maakte geen gebruik van deze mogelijkheid. De rechtbank vernietigde daarop het bestreden besluit en gaf opdracht tot heroverweging.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de reiskosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De Raad stelt dat de algemene bijstandsnorm toereikend is om incidentele reiskosten, zoals familiebezoek, te dekken. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat de omvang van de kosten buiten de bijstandsnorm valt of dat bijzondere omstandigheden haar verhinderen de kosten te betalen.
De Raad vernietigt daarom de uitspraken van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand, waardoor betrokkene geen bijzondere bijstand ontvangt voor de reiskosten naar haar dochter. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend aan betrokkene.