ECLI:NL:CRVB:2024:718
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WAO-dagloon uit 2002 wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant verzocht om herziening van het WAO-dagloon dat voor de periode 22 april 1996 tot 5 maart 1999 was vastgesteld. Het UWV had in 2002 het dagloon herzien en vastgesteld op een hoger bedrag. Appellant stelde dat het UWV verkeerde inkomensgegevens gebruikte en dat ook het inkomen van de gemeente Tilburg in de berekening meegenomen had moeten worden.
Het UWV weigerde de herziening omdat de stukken die appellant aanvoerde geen nieuwe feiten of omstandigheden waren, maar al in het dossier aanwezig waren ten tijde van het eerdere besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het verzoek van appellant een herhaalde aanvraag betrof, waarbij nieuwe feiten of omstandigheden moeten worden aangevoerd. De stukken waarop appellant zich baseerde waren geen nieuwe feiten, omdat deze al bij het UWV bekend waren. Ook was het verzoek pas in 2021 gedaan, lang na het besluit van 2002, waardoor het risico van late aanvraag voor appellant is. De Raad concludeerde dat de weigering van het UWV om het besluit te herzien niet evident onredelijk was en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd het dagloon uit 2002 te herzien wegens het ontbreken van nieuwe feiten.