Appellant, voormalig taxichauffeur, vroeg in januari 2021 een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat appellant niet verzekerd was en geen dienstverband had op de aanvraagdatum. Appellant stelde dat hij tussen 2000 en 2002 arbeidsongeschikt was geworden en de wachttijd had voltooid, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een eerste arbeidsongeschiktheidsdag was in de verzekerde periode. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en benadrukte dat bij een laattijdige aanvraag de bewijslast bij appellant ligt.
Appellant voerde aan dat hij zich tijdens zijn dienstverband ziek had gemeld en verwees naar psychische klachten en diagnoses uit latere jaren, maar kon geen concrete datum van arbeidsongeschiktheid of medische onderbouwing voor de relevante periode overleggen. Het UWV hoefde geen verzekeringsarts in te schakelen vanwege het ontbreken van concrete medische gegevens.
De Raad bevestigde dat het ontbreken van medische onderbouwing in de periode 2000 tot 27 januari 2002 betekent dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor een WIA-uitkering. De weigering blijft daarom in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.