Appellante, geboren in 1999, vroeg een Wajong-uitkering aan wegens psychische klachten, waaronder PTSS, depressie en borderline persoonlijkheidsstoornis. Het UWV weigerde de uitkering omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
In hoger beroep bracht appellante aanvullende medische stukken in. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was. De Raad stelt vast dat de ernstige psychiatrische problematiek en eerdere behandelingen geen uitzicht bieden op structurele verbetering, waardoor het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en draagt het UWV op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij het ontbreken van arbeidsvermogen op 19 november 2019 als duurzaam moet worden beschouwd. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, maar het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende vaststelling van geleden schade.