ECLI:NL:CRVB:2024:495
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontheffing korte opleiding officier zeedienst wegens onvoldoende voortgang
Appellant, werkzaam bij de Koninklijke Marine, volgde vanaf 2017 de korte opleiding tot officier zeedienst (KOO) aan het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM). Ondanks meerdere kansen slaagde hij er niet in de vakken ZRVB-6 en ZWST-A binnen de maximale uitlooptermijn te behalen. De examencommissie en het korpshoofd zeedienst gaven negatief opleidingsadvies, waarna de staatssecretaris op 16 juni 2021 besloot appellant van de opleiding te ontheffen. Dit besluit werd na bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelt dat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om de opleiding af te ronden, ook gezien de bijzondere voortgangseis en verlenging vanwege corona en technische problemen. Persoonlijke omstandigheden en een vermeend sociaal onveilige leeromgeving leiden niet tot een ander oordeel, mede omdat appellant meerdere extra kansen kreeg en bewust heeft afgezien van bezwaar tegen examenuitslagen.
De Raad concludeert dat de staatssecretaris in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot ontheffing en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De ontheffing van appellant van de korte opleiding tot officier zeedienst wordt bevestigd wegens onvoldoende voortgang.