Appellante kreeg van het CAK een aanmaning om binnen drie maanden een zorgverzekering af te sluiten, wat zij niet binnen de gestelde termijn deed. Het CAK legde daarom een boete van €402,24 op. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde de boete. Appellante voerde aan dat zij niet tijdig kon bepalen of zij verzekeringsplichtig was en dat zij geen draagkracht had voor betaling, maar kon dit niet voldoende aantonen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die tot vernietiging van het besluit leiden. De Raad benadrukt dat appellante al op 20 september 2019 een zorgverzekering had afgesloten, binnen de termijn van drie maanden gerekend vanaf de aanmaning, en dat zij onvoldoende heeft verklaard waarom dit niet eerder kon.
Daarnaast is vastgesteld dat de procedure van bezwaar tot hoger beroep in totaal ruim vier jaar en drie maanden duurde, wat de redelijke termijn overschrijdt. De Raad kent daarom een schadevergoeding toe van €500, waarvan €125 voor rekening van het CAK komt en €375 voor de Staat. Tevens worden CAK en Staat ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten van appellante.