Betrokkene, met fysieke en mentale problemen, vroeg verlenging van een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo 2015. Het college wees deze aanvraag af omdat betrokkene financieel in staat zou zijn de hulp zelf te bekostigen.
De rechtbank oordeelde dat de eigen kracht zoals bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, Wmo 2015 geen ruimte biedt voor een beoordeling op basis van financiële draagkracht en bepaalde dat betrokkene recht heeft op de maatwerkvoorziening. Het college ging hiertegen in hoger beroep.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en stelt dat de Wmo 2015 geen inkomens- of vermogenstoets kent voor toegang tot ondersteuning. Ook na invoering van het abonnementstarief blijft dit uitgangspunt ongewijzigd. Het college mocht de aanvraag niet weigeren op grond van financiële draagkracht.
De Raad veroordeelt het college in de proceskosten en heft griffierecht. De uitspraak onderstreept dat maatschappelijke ondersteuning toegankelijk moet zijn voor iedereen die daarop is aangewezen, ongeacht inkomen of vermogen.