ECLI:NL:CRVB:2024:416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bij toekenning bijstand zonder bijzondere omstandigheden
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet, die in december 2019 werd beëindigd. Zij meldde zich op 6 februari 2020 opnieuw voor bijstand, die het college vanaf die datum toekende. Appellante vorderde een eerdere ingangsdatum, met terugwerkende kracht vanaf december 2019, vanwege ernstige psychische problemen die haar belemmerden eerder een aanvraag te doen.
De rechtbank wees het beroep af en stelde het college in het gelijk. In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische problematiek en een onaangekondigd huisbezoek op 5 december 2019 haar belemmerden eerder bijstand aan te vragen. Zij onderbouwde dit met een GGD-rapport en een brief van haar psycholoog.
De Raad oordeelde echter dat deze documenten niet voldoende aannemelijk maken dat appellante niet eerder een advocaat of hulpverlener kon benaderen voor hulp bij de aanvraag. De vaste rechtspraak stelt dat terugwerkende kracht alleen mogelijk is bij bijzondere omstandigheden die het niet eerder melden rechtvaardigen, wat hier niet is vastgesteld.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en bleef de ingangsdatum van de bijstand 6 februari 2020. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak bevestigt het uitgangspunt dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend zonder bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstand blijft 6 februari 2020 zonder terugwerkende kracht.