Appellanten ontvingen sinds 1996 bijstand en woonden samen op een adres waar op 23 maart 2021 een hennepkwekerij werd aangetroffen. De politie vond een werkende kwekerij en een tweede, niet actieve, ruimte met hennepmaterialen. Het college trok de bijstand met ingang van 17 juli 2020 in en vorderde € 13.004,25 terug wegens betrokkenheid bij de hennepkwekerij.
De rechtbank had het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard door de terugvordering te verlagen tot € 11.566,11, maar liet de intrekking in stand. Appellanten gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de intrekking en terugvordering alleen kunnen standhouden voor de periode van 24 november 2020 tot 21 juni 2021, omdat de aanwijzingen voor drie eerdere oogsten onvoldoende zijn onderbouwd.
De Raad stelt dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet te melden dat zij de kwekerij exploiteerden vanaf 24 november 2020. De intrekking van bijstand en terugvordering zijn daarom gerechtvaardigd vanaf die datum. Voor de periode van 17 juli 2020 tot 24 november 2020 is onvoldoende bewijs voor intrekking, waardoor het besluit en de terugvordering voor die periode worden vernietigd.
Het college wordt opgedragen een nieuwe berekening te maken voor de terugvordering over de periode vanaf 24 november 2020 en een nieuw besluit te nemen, waartegen alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden.