ECLI:NL:CRVB:2024:303
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing compensatie transitievergoeding wegens verstoorde arbeidsrelatie en niet langdurige arbeidsongeschiktheid
Appellante, een besloten vennootschap, verzocht het Uwv om compensatie van de betaalde transitievergoeding aan haar werknemer, die sinds 2013 arbeidsongeschikt was. Het Uwv wees de aanvraag af omdat niet was voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst was beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde het besluit van het Uwv.
De arbeidsovereenkomst eindigde op 31 december 2015, na twee jaar arbeidsongeschiktheid. Uit stukken, waaronder een notitie van een Buitengewone Algemene Vergadering van Aandeelhouders, bleek dat de beëindiging niet was gebaseerd op de langdurige arbeidsongeschiktheid, maar op een verstoorde arbeidsrelatie en gebrek aan vertrouwen tussen werknemer, aandeelhouders en personeel.
Appellante voerde aan dat de beëindiging ook mede aan de langdurige arbeidsongeschiktheid te wijten was, maar de Raad concludeerde dat de beëindiging uitsluitend was gebaseerd op de h-grond uit artikel 7:669 lid 3 BW Pro (andere omstandigheden die redelijke voortzetting onmogelijk maken). Het hoger beroep van appellante werd daarom afgewezen en de weigering tot compensatie bleef in stand.
Uitkomst: De compensatie van de betaalde transitievergoeding wordt geweigerd omdat de arbeidsovereenkomst niet wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is beëindigd, maar vanwege een verstoorde arbeidsrelatie.