ECLI:NL:CRVB:2024:261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- M.F. Wagner
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving bijstand vanaf 2012 als alleenstaande. Het college vermoedde dat zij sinds 2016 een gezamenlijke huishouding voerde met X, wat niet was gemeld. Een uitgebreid onderzoek, inclusief verklaringen en buurtonderzoek, leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van €78.677,10.
Appellante voerde aan geen gezamenlijke huishouding te voeren en betwistte de verklaringen van X. De Raad oordeelde dat X's ondertekende verklaring betrouwbaar is en dat uit diverse bewijzen blijkt dat X zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Tevens was sprake van wederzijdse zorg, onder meer door hulp bij boodschappen en het uitlaten van de hond.
Appellante kon niet aannemelijk maken dat zij recht had op bijstand naar de gehuwdennorm, mede vanwege haar koerierswerkzaamheden en inkomsten. Daarom is matiging van de terugvordering niet aan de orde. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering blijven in stand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd, zonder matiging.