ECLI:NL:CRVB:2024:238
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant diende een aanvraag in voor een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet na het overlijden van zijn partner. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat uit medisch onderzoek bleek dat appellant minder dan 45% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist was opgesteld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen waren onderschat en dat hij meer dan 45% arbeidsongeschikt was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe feiten of medische informatie had aangevoerd die aanleiding gaf tot twijfel aan het eerdere oordeel. De Raad bevestigde dat het ging om de situatie op 11 augustus 2019, de peildatum voor de arbeidsongeschiktheid, en dat latere medische ontwikkelingen niet relevant waren.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het bestreden besluit. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 7 februari 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.