ECLI:NL:CRVB:2024:2362
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vrijstelling eigen bijdrage Wet langdurige zorg wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante, geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), vroeg vrijstelling van de eigen bijdrage vanwege haar lage inkomen. Het CAK stelde de eigen bijdrage vast op € 24,80 per maand en wees de vrijstellingsaanvraag af omdat haar inkomen hoger was dan de vrijstellingsgrens van € 407,69 per maand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en wees ook haar verzoek om schadevergoeding af. Appellante stelde in hoger beroep dat haar situatie bijzondere individuele omstandigheden bevat die de eigen bijdrage disproportioneel maken en daarmee in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
De Raad oordeelde dat de regels omtrent de eigen bijdrage dwingendrechtelijk en limitatief zijn en geen ruimte bieden voor een hardheidsclausule. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die de toepassing van de wettelijke regels in dit geval onredelijk maken. Het inkomen van appellante ligt ruim boven de vrijstellingsgrens en haar stelling dat zij niet van haar inkomen kan rondkomen is onvoldoende onderbouwd.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en werd appellante geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de vrijstelling van de eigen bijdrage blijft in stand.