ECLI:NL:CRVB:2024:2138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant had een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding vanuit een vermeende dienstbetrekking bij een ex-werkgever. Het UWV stelde na onderzoek vast dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, omdat appellant geen verifieerbare arbeid of loonbetalingen kon aantonen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vond dat het UWV en de rechtbank terecht hadden geoordeeld dat appellant geen concrete bewijzen van werkzaamheden of loon had geleverd. Verklaringen van derden over het werken op een laptop waren onvoldoende om een dienstbetrekking aan te tonen. Ook ontbrak bewijs van omzet bij de ex-werkgever, wat duidt op een gefingeerd dienstverband.
Het UWV had appellant ten onrechte niet uitgenodigd voor een hoorzitting, maar dit werd gepasseerd wegens artikel 6:22 Awb Pro. De proceskostenveroordeling en griffierechtvergoeding werden niet aangevochten. Het hoger beroep werd afgewezen, waardoor appellant geen WIA-uitkering ontvangt en geen proceskostenvergoeding krijgt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen WIA-uitkering wegens ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.