ECLI:NL:CRVB:2024:2134

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 november 2024
Publicatiedatum
14 november 2024
Zaaknummer
24/632 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WWArt. 35 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering over periode vóór 26 weken voorafgaand aan aanvraag

Appellante was van 20 mei 2021 tot 10 mei 2022 werkzaam en diende op 28 januari 2023 een aanvraag in voor een WW-uitkering. Het UWV besloot dat zij recht had op een WW-uitkering vanaf 10 mei 2022, maar weigerde de uitbetaling over de periode 10 mei 2022 tot en met 29 juli 2022 omdat deze periode vóór 26 weken voorafgaand aan de aanvraag lag. Appellante stelde dat sprake was van een bijzonder geval vanwege haar mantelzorgtaken en psychische overbelasting, waardoor zij niet eerder kon aanvragen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante de bewijslast had om het bijzondere geval aan te tonen, wat niet was gelukt. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het begrip 'bijzonder geval' restrictief wordt uitgelegd en dat appellante geen medische onderbouwing heeft geleverd.

De Raad concludeert dat het UWV terecht de uitkering over de betwiste periode niet heeft uitbetaald en wijst het hoger beroep af. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door L.A. Kjellevold op 14 november 2024.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WW-uitkering over de periode vóór 26 weken voorafgaand aan de aanvraag heeft geweigerd.

Uitspraak

24/632 WW
Datum uitspraak: 14 november 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2024, 23/4044 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft besloten dat de WW-uitkering van appellante over de periode van 10 mei 2022 tot en met 29 juli 2022 niet tot uitbetaling komt, omdat deze periode is gelegen vóór 26 weken voorafgaande aan de datum waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Volgens appellante is sprake van een bijzonder geval, zodat van deze termijn moet worden afgeweken. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv niet bevoegd was om de WW-uitkering aan appellante uit te betalen over de periode in geding.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Gümüs-Genc, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2024. Namens appellante is verschenen mr. Gümüs-Genc. Het Uwv heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellante is van 20 mei 2021 tot 10 mei 2022 werkzaam geweest bij [werkgever]. Op 28 januari 2023 heeft zij bij het Uwv een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend.
1.2.
Bij besluit van 23 februari 2023 heeft het Uwv beslist dat appellante over de periode van 10 mei 2022 tot en met 9 januari 2024 recht heeft op een WWuitkering. De uitkering over de periode van 10 mei 2022 tot en met 29 juli 2022 komt niet tot uitbetaling omdat deze periode is gelegen vóór 26 weken voorafgaande aan de datum waarop de aanvraag om een WWuitkering (WW-aanvraag) werd ingediend. Volgens het Uwv is geen sprake van een bijzonder geval in de zin van artikel 35 van Pro de WW.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 3 mei 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 februari 2023 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad waarbij is geoordeeld dat het begrip ‘bijzonder geval’ naar zijn aard restrictief moet worden uitgelegd. [1] De bewijslast van de aanwezigheid van een bijzonder geval rust op appellante. Het Uwv heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een bijzonder geval, omdat appellante niet heeft aangetoond dat zij (om medische redenen) niet in staat was om op een eerder moment dan 28 januari 2023 een WW-aanvraag in te dienen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een bijzonder geval. Appellante heeft ook in beroep geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij in de ongeveer negen maanden na het ontstaan van de werkloosheid niet in staat was om een WW-aanvraag te (laten) indienen. De rechtbank begrijpt dat appellante andere zorgen aan haar hoofd had en dat zij zich niet eerder heeft gerealiseerd dat zij aanspraak kon maken op een WWuitkering, maar deze omstandigheden zijn geen reden om een bijzonder geval aan te nemen als bedoeld in artikel 35 van Pro de WW. Het Uwv heeft daarom terecht de WWuitkering van appellante over de periode van 10 mei 2022 tot en met 29 juli 2022 niet uitbetaald.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat zij niet in staat was om eerder een WW-uitkering aan te vragen, omdat zij in de maanden voor de aanvraag als overbelaste mantelzorger heeft gefungeerd. Appellante heeft in de periode van 20 april 2022 tot en met 4 juli 2022 gezorgd voor haar terminaal zieke moeder. Nadat de moeder van appellante in juli 2022 is komen te overlijden, is zij doorgegaan met het leveren van zorg aan haar vader, die wel minder intensief was dan de zorg voor haar moeder. Uit deze gang van zaken kan worden opgemaakt dat sprake was van een combinatie van omstandigheden; de psychische gesteldheid van appellante, haar moeilijke privé-situatie en overbelasting, die ertoe hebben geleid dat zij niet in staat was om tijdig haar WWuitkering aan te vragen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv begrijpt dat het voor appellante een heftige periode is geweest die veel impact op haar heeft gehad. Ondanks de moeilijke periode voor appellante is er volgens het Uwv geen sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35 van Pro de WW. Appellante heeft niet met medische gegevens aangetoond dat zij in de ongeveer acht maanden na het ontstaan van haar werkloosheid niet in staat was om een WW-uitkering in te (laten) dienen. Het Uwv heeft er daarbij op gewezen dat de WWaanvraag pas op 28 januari 2023 is ingediend.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de uitbetaling van de WW-uitkering over de periode van 10 mei 2022 tot en met 29 juli 2022 in stand heeft gelaten. De Raad beoordeelt dit aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.1.
Op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW is een werknemer verplicht om binnen één week na het intreden van de werkloosheid een aanvraag om een uitkering in te dienen. Ingevolge artikel 35 van Pro de WW wordt de uitkering niet uitbetaald over perioden gelegen vóór 26 weken voorafgaande aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uwv is bevoegd om in bijzondere gevallen hiervan af te wijken.
4.1.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de aanwezigheid van een bijzonder geval een objectieve voorwaarde voor het doen ontstaan en de uitoefening van de bevoegdheid van het Uwv om af te wijken van de dwingendrechtelijke bepaling in de eerste volzin van artikel 35 van Pro de WW. De rechter moet volledig toetsen of in een concreet geval aan de voorwaarde is voldaan, waarbij het begrip ‘bijzonder geval’ naar zijn aard restrictief moet worden uitgelegd. Op appellante rust de bewijslast van de aanwezigheid van een bijzonder geval. [2]
4.2.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een bijzonder geval. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Appellante heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat zij wegens het overlijden van haar moeder niet in staat was om eerder een WWuitkering aan te vragen. Aangezien appellante dit standpunt ook in hoger beroep niet heeft onderbouwd met stukken, leidt dit niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het Uwv terecht de WW-uitkering over de periode van 10 mei 2022 tot en met 29 juli 2022 niet heeft betaald.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.A. Kjellevold, in tegenwoordigheid van D. Kovac als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2024.
(getekend) L.A. Kjellevold
(getekend) D. Kovac

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:972.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2095.