Appellante, werkzaam als militair, kampte vanaf oktober 2018 met burn-out klachten waardoor zij haar functie niet volledig kon uitoefenen. Na 12 maanden ziekte verlaagde de commandant haar bezoldiging tot 70% van de laatstgenoten bezoldiging. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de verlaging onterecht is. De Raad stelt vast dat appellante gedurende jaren onder hoge werkdruk en langdurige consignatie heeft gewerkt, met een uitgebreid takenpakket en onregelmatige uren. Deze werkomstandigheden hadden objectief bezien een buitensporig karakter. Er is een oorzakelijk verband tussen deze omstandigheden en de psychische ziekte van appellante.
De Raad wijst het standpunt van de commandant af dat persoonskenmerken de oorzaak zouden zijn. De eerdere uitspraak wordt vernietigd, het besluit tot verlaging van de bezoldiging wordt herroepen en appellante krijgt de gekorte bedragen terugbetaald. Tevens wordt de commandant veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.