ECLI:NL:CRVB:2024:2026

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 oktober 2024
Publicatiedatum
30 oktober 2024
Zaaknummer
23/1747 WAJONG-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening Wajong-uitspraak wegens ontbreken nieuwe feiten

De Centrale Raad van Beroep behandelde op 17 oktober 2024 het verzoek om herziening van eerdere uitspraken van 30 november 2020 en 13 februari 2023 betreffende een Wajong-aanvraag van 9 oktober 2015.

Verzoeker, bijgestaan door zijn moeder, heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd zoals vereist op grond van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad benadrukt dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over dezelfde zaak.

Hoewel de klachten van verzoeker na de verzekerde periode zijn verergerd, leidt dit niet tot een andere beoordeling van zijn status als jonggehandicapte. Het verzoek om herziening wordt daarom afgewezen en de uitspraak van 30 november 2020 blijft ongewijzigd.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven. De beslissing is openbaar uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

23/1747 WAJONG-PV
Datum uitspraak: 17 oktober 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraken van de Raad van 30 november 2020, 17/5449, en van 13 februari 2023,
21/2139
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Zitting heeft: mr. E.J.J.M. Weyers
Griffier: S.S. Blok
De Raad heeft het hoger beroep van appellant behandeld op een zitting op 17 oktober 2024. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn moeder. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. van Beek.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de uitspraak van
30 november 2020. [1] Zoals in de uitspraak van 13 februari 2023 [2] op het eerder verzoek om herziening al is overwogen is het bijzondere rechtsmiddel van herziening volgens vaste rechtspraak niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Net als bij zijn eerdere verzoek om herziening heeft verzoeker ook nu in zijn verzoek geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Met wat verzoeker aan zijn verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd beoogt hij net als met zijn vorige verzoek om herziening in feite een hernieuwde discussie te voeren over zijn Wajong-aanvraag van 9 oktober 2015 en de uitspraak van de Raad van 30 november 2020. Het middel van herziening is daarvoor niet bedoeld. Dat de klachten van verzoeker na de voor de Wajong verzekerde periode, die voor verzoeker eindigde op 21 juli 2015, erger zijn geworden begrijpt de Raad, maar daarmee wordt verzoeker niet alsnog jonggehandicapte.

Conclusie en gevolgen

Het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van
30 november 2020 in stand blijft.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding. Verzoeker krijgt gelet op de afwijzing van zijn verzoek om herziening ook het betaalde griffierecht niet terug.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S.S. Blok (getekend) E.J.J.M. Weyers

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
1. De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Hoofdstuk 6, titel 8.1, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en artikel 8:13, titel 8.2, met uitzondering van artikel 8:41, tweede lid, titel 8.3 en titel 8.5, met uitzondering van artikel 8:109, zijn voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.
(…)
4. Indien de uitspraak wordt herzien, betaalt de griffier het griffierecht terug.

Voetnoten

1.CRvB 30 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2979.
2.CRvB 13 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:274.