ECLI:NL:CRVB:2024:1838
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Wajong-uitkering wegens verblijf in Israël niet onrechtmatig
Appellant ontving sinds 2004 een Wajong-uitkering die door het Uwv is beëindigd per 1 juli 2021 vanwege zijn verblijf in Israël. Appellant stelde dat het beëindigen van de uitkering onbillijk was en dat er sprake was van dwingende redenen voor zijn verhuizing, waaronder revalidatie en gezinsleven. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het exportverbod van de Wajong-uitkering.
In hoger beroep stelde appellant dat het vertrek naar Israël pas in oktober 2021 permanent werd en dat het Uwv onjuist had geïnformeerd over het toepasselijke verdrag met Israël. Ook voerde hij aan dat het exportverbod in strijd was met artikel 8 EVRM Pro. Het Uwv wijzigde de beëindigingsdatum naar 1 december 2021, maar handhaafde het besluit.
De Raad oordeelde dat de redenen voor het verblijf in Israël subjectief waren en niet voldeden aan de criteria voor ontheffing van het exportverbod. Er was geen sprake van medische behandeling of revalidatie, en het exportverbod was niet in strijd met het recht op gezinsleven. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het bezwaarbesluit van 15 november 2021, verklaarde het beroep gegrond en het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond. De beëindiging van de uitkering per 1 december 2021 blijft in stand.
Uitkomst: De Wajong-uitkering van appellant wordt per 1 december 2021 beëindigd en het exportverbod is rechtmatig.