ECLI:NL:CRVB:2019:2496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Wajong-uitkering wegens verblijf buiten Nederland zonder zwaarwegende reden
Appellant ontving sinds 2006 een Wajong-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hij verbleef met toestemming van het UWV van 2013 tot 2016 in Polen en vroeg verlenging van de uitkering met verblijf in Polen vanwege een vermeende medische behandeling. Het UWV wees dit af op basis van een verzekeringsartsrapport dat geen medische noodzaak voor verblijf in Polen vaststelde.
Het bezwaar tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard en de uitkering beëindigd per 1 oktober 2016 omdat appellant buiten Nederland woont. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep van appellant, die stelde dat hij niet in het buitenland woont en dat zijn echtgenote en kinderen mantelzorg verlenen.
In hoger beroep stelde appellant dat er sprake is van zwaarwegende redenen voor verblijf in Polen, waaronder medische behandeling en verzorging door zijn echtgenote, en dat beëindiging van de uitkering een schending van artikel 8 EVRM Pro inhoudt. De Raad oordeelde dat appellant in Polen woont en dat de verhuizing voornamelijk op eigen keuze berust zonder objectieve en dwingende noodzaak. De hardheidsclausule is daarom niet van toepassing.
Verder werd geoordeeld dat geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard noch van een schending van het recht op familie- en gezinsleven. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Wajong-uitkering van appellant wordt beëindigd per 1 oktober 2016 wegens verblijf buiten Nederland zonder zwaarwegende reden.