ECLI:NL:CRVB:2024:1730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Ziektewet-uitkering wegens benadelingshandeling door weigering nevenfunctie neer te leggen
Appellant was sinds 2002 in dienst bij zijn werkgever en had toestemming voor een bestuursfunctie bij een stichting. In 2019 trok de werkgever deze toestemming in en verzocht appellant zijn nevenfunctie neer te leggen. Appellant weigerde dit en kreeg daarop onvoorwaardelijk ontslag. Het UWV stelde dat appellant door zijn handelen een benadelingshandeling had gepleegd en weigerde de Ziektewet-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit van het UWV, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen dit oordeel. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de uitkering heeft geweigerd omdat appellant bewust de nevenfunctie bleef uitoefenen ondanks herhaalde verzoeken en waarschuwingen, wat plichtsverzuim en benadelingshandeling oplevert.
De Raad verwierp de stellingen van appellant over vermeend misbruik van bevoegdheid door de werkgever en onvoldoende onderzoek naar zijn psychische klachten. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de vergelijkbare zaak niet overeenkwam. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak voor zover de rechtsgevolgen in stand waren gelaten en verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit van het UWV ongegrond, waardoor de weigering van de uitkering blijft gelden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de Ziektewet-uitkering wegens benadelingshandeling.