ECLI:NL:CRVB:2024:1729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang bij voorschot WIA-uitkering en gevolgen voor werkgever
In deze zaak staat centraal of appellante, een werkgever, procesbelang heeft bij het aanvechten van een door het Uwv toegekend voorschot op een WIA-uitkering aan een ex-werknemer. Het Uwv had een voorschot toegekend omdat het definitieve besluit over de WIA-uitkering nog niet genomen kon worden. Appellante maakte bezwaar tegen het voorschot, dat door het Uwv ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Appellante is geen eigenrisicodrager en ondervindt alleen indirecte gevolgen via de gedifferentieerde WGA-premie. De rechtbank vond dat het belang van appellante louter formeel of principieel was en dat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij schade had geleden door het voorschot.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er geen wettelijke grondslag is voor het toekennen van voorschotten en dat de wijze van voorschotverstrekking in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht. De Raad heeft echter geoordeeld dat het beroep niet slaagt. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en benadrukt dat het voorschot feitelijk gelijk is aan de definitieve uitkering, waardoor het oordeel over het voorschot geen feitelijke betekenis meer heeft.
De Raad heeft het omvangrijke, maar te laat ingediende pleitstuk van appellante buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen omdat schade niet aannemelijk is gemaakt. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen wegens ontbreken van procesbelang en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.