ECLI:NL:CRVB:2024:1661
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid per 17 augustus 2017
Appellant, voormalig beveiligingsmedewerker, vroeg een WIA-uitkering aan per 17 augustus 2017. Het UWV weigerde deze omdat appellant toen minder dan 35% arbeidsongeschikt was, gebaseerd op medisch en arbeidskundig onderzoek. Appellant stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het UWV een motiveringsgebrek had, maar dat dit was hersteld met een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank bevestigde het besluit van het UWV en wees het beroep van appellant af, met een vergoeding van proceskosten.
In hoger beroep betoogde appellant dat het onderzoek nog steeds onvoldoende was, dat de verzekeringsarts meer informatie had moeten opvragen en dat hij fysiek had moeten worden onderzocht door de arbeidsdeskundige. Ook verwees hij naar een algemeen artikel over intern UWV-onderzoek.
De Raad volgde appellant niet en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat de verzekeringsarts terecht geen fysiek onderzoek verrichtte omdat de datum in geschil ver in het verleden lag, en dat er voldoende medische informatie beschikbaar was. De arbeidsdeskundige mocht uitgaan van het medisch onderzoek. Het algemene artikel bood geen aanknopingspunten voor onzorgvuldigheid.
Het hoger beroep werd verworpen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering per 17 augustus 2017 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.