ECLI:NL:CRVB:2024:1547
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen op afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij het UWV telkens heeft vastgesteld dat hij arbeidsvermogen bezit. Na een eerste afwijzing in 2018 en een bevestiging daarvan in bezwaar, heeft appellant in 2020 en 2022 opnieuw aanvragen ingediend, die het UWV als verzoeken tot heroverweging van het eerdere besluit heeft opgevat. Het UWV heeft deze verzoeken afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding geven om terug te komen op het eerdere besluit.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond verklaard en geoordeeld dat het UWV zorgvuldig en gemotiveerd heeft gehandeld. Appellant stelde in hoger beroep dat hij onvoldoende is gehoord en dat het onderzoek niet volledig en deskundig was, en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. Tevens voerde hij aan dat zijn chronische oogklachten en arbeidsbelemmeringen onvoldoende waren meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het UWV het verzoek om terug te komen op het besluit mocht afwijzen. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden die niet eerder konden worden aangevoerd. De medische beoordeling is niet betwist en er is geen schending van het gelijkheidsbeginsel. De Raad ziet geen aanleiding voor nader onderzoek of het inschakelen van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op de afwijzing van de Wajong-uitkering wegens ontbreken van nieuwe feiten.