Appellant heeft een doorlopende aanvraag voor een aanvullende beurs sinds 11 september 2015. De minister had aanvankelijk het verzoek om loskoppeling afgewezen voor de periode vóór augustus 2018, maar toegewezen vanaf augustus 2018. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor de periode augustus 2018 tot juli 2019 en stelde vast dat de terugwerkende kracht beperkt is tot twee jaar.
In hoger beroep betoogt appellant dat de beperking tot twee jaar leidt tot een onredelijke uitkomst vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en het risico op een hoge studieschuld. De minister trekt zijn hoger beroep in en erkent een doorlopende aanvraag sinds 2015, maar handhaaft de afwijzing voor de periode vóór augustus 2018.
De Raad oordeelt dat de loskoppeling ook moet gelden voor juni en juli 2018, omdat dit binnen de maximale terugwerkende termijn van twee jaar valt. Voor de periode augustus 2016 tot mei 2018 is er geen aanleiding om af te wijken van de wettelijke terugwerkende kracht, mede omdat appellant niet eerder bekend was met de regeling en er voldoende informatie beschikbaar was.
De Raad vernietigt het deel van de uitspraak dat appellant geen aanvullende beurs toekent voor juni en juli 2018 en kent hem deze toe. Voor de periode daarvoor blijft de afwijzing in stand. Er is geen proceskostenveroordeling, maar appellant krijgt het betaalde griffierecht vergoed.