Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1266

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juni 2024
Publicatiedatum
2 juli 2024
Zaaknummer
23/2991 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening beroepschrift

De korpschef van politie stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 september 2023. Volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een beroepschrift binnen zes weken na toezending van de uitspraak worden ingediend. De aangevallen uitspraak werd op 11 september 2023 aan partijen toegezonden, waardoor de beroepstermijn op 23 oktober 2023 afliep.

Het beroepschrift van de korpschef werd echter pas op 24 oktober 2023 via digitale weg ontvangen, waardoor het één dag te laat was ingediend. De gemachtigde van de korpschef voerde aan dat de termijn pas op 24 oktober verstreken zou zijn en verwees naar eerdere uitspraken waarin de bestuursrechter ambtshalve niet langer toetst op tijdigheid van bezwaar of beroep.

De Raad oordeelde dat deze verwijzingen niet van toepassing zijn op de ontvankelijkheidstoets door de Raad zelf en dat het beroepschrift niet tijdig was ontvangen. Er was geen grond om te concluderen dat de korpschef niet in verzuim was. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak blijft in stand en de korpschef moet een griffierecht van €559,- betalen. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de korpschef wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het beroepschrift.

Uitspraak

Datum uitspraak: 27 juni 2024
23/2991 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
11 september 2023, 22/2633 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de korpschef van politie (korpschef)
[betrokkene] uit [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens de korpschef heeft mr. E.F. Arts-Mulder, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 11 september 2023 in afschrift aan partijen toegezonden.
Het beroepschrift is op 24 oktober 2023 via de digitale weg ontvangen.
Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift één dag te laat is ingediend.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Bij brieven van 21 november 2023 en (herhaald) van 3 mei 2024 is aan de gemachtigde van de korpschef gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
De gemachtigde van de korpschef heeft daarop (als laatste) bij brief van 27 mei 2024 geantwoord dat zij van mening is dat de beroepstermijn (pas) op 24 oktober 2023 is verstreken en dat daarom geen sprake is van een termijnoverschrijding. Voor zover wél sprake is van een overschrijding van de beroepstermijn, verwijst de gemachtigde van de korpschef naar uitspraken van de Raad van 9 juli 2021 [1] en van de Afdeling van 24 april 2024 [2] , waarin is geoordeeld dat de bestuursrechter niet langer ambtshalve oordeelt over de tijdigheid van een ingesteld bezwaar of beroep.
Wat de gemachtigde van de korpschef heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de korpschef niet in verzuim is geweest.
In dat verband wordt overwogen dat het beroepschrift niet voor het einde van de termijn – en dus niet tijdig – is ontvangen, aangezien het niet vóór, maar pas óp 24 oktober 2024 is ontvangen.
De uitspraken waar de gemachtigde van de korpschef naar verwijst, zien op een andere situatie dan hier aan de orde is. In de uitspraken gaat het om een situatie waarbij de rechtbank met de behandeling van het beroep (dan wel de hogere bestuursrechter met de behandeling van het hoger beroep) ambtshalve toetst of het voorafgaande bezwaar (of beroep) tijdig was ingediend. In dit geval gaat het echter om de beoordeling van de Raad of het hoger beroep al dan niet tijdig is ingediend bij de Raad zelf. Het gaat namelijk om een ontvankelijkheidsvereiste, waarvan de wettelijke grondslag is vastgelegd in afdeling 6.2 van de Awb.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Nu de aangevallen uitspraak in stand blijft, dient van de korpschef een griffierecht van
€ 559,- te worden geheven.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat van de korpschef een griffierecht van € 559,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2024.
(getekend) Y. Sneevliet
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.