ECLI:NL:CRVB:2024:1211
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing gelijke uitbetaling kinderbijslag bij ouderschapsplan met volledige toekenning aan moeder
Appellant en de moeder hebben een minderjarig kind uit een voormalige relatie. In het ouderschapsplan uit 2014 is vastgelegd dat de moeder het hoofdverblijf heeft en de kinderbijslag ontvangt. Ondanks een gewijzigde zorgregeling in 2019 waarbij het kind afwisselend bij beide ouders verblijft, is de uitbetaling van de kinderbijslag niet aangepast.
Appellant verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om gelijke uitbetaling van de kinderbijslag aan beide ouders, maar dit werd geweigerd omdat het ouderschapsplan de volledige uitbetaling aan de moeder regelt. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en ook in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beslissing.
De Raad oordeelde dat de gewijzigde zorgregeling niet automatisch leidt tot een gelijke verdeling van de kinderbijslag, aangezien het ouderschapsplan hierover geen wijziging bevat. De wettelijke bepalingen, waaronder artikel 18 van Pro de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en artikel 10 van Pro het Besluit uitvoering kinderbijslag (BUK), laten ruimte voor gelijke verdeling alleen indien dit onderling is overeengekomen. Omdat appellant dit niet kon aantonen, bleef de volledige uitbetaling aan de moeder terecht gehandhaafd.
De Raad wees het hoger beroep af en veroordeelde appellant tot het dragen van eigen proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 juni 2024.
Uitkomst: De aanvraag van appellant voor gelijke uitbetaling van kinderbijslag is terecht afgewezen en de volledige kinderbijslag blijft aan de moeder uitbetaald.