ECLI:NL:CRVB:2024:1155
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging wijziging uitstel van betaling door Sociale Verzekeringsbank wegens vermogen appellant
In deze zaak staat de wijziging van een eerder verleend uitstel van betaling centraal, nadat de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een terugvordering heeft ingesteld wegens het niet melden van onroerend goed in het buitenland. De terugvordering is na eerdere procedures in rechte vastgesteld. Appellant betwistte de wijziging van het uitstel van betaling, onder meer met het argument dat het onderzoek voorafgaand aan de terugvordering discriminatoir was.
De Raad oordeelt dat de grond dat het onderzoek discriminatoir zou zijn, niet opnieuw aan de orde kan komen in deze procedure, omdat dit reeds in eerdere procedures is beoordeeld. De Svb baseert haar bevoegdheid tot wijziging van het uitstel op artikel 4:96 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij de uitspraak van de Raad uit 2020 wordt gezien als een veranderde omstandigheid die zich verzet tegen voortzetting van het uitstel.
De Raad toetst het evenredigheidsbeginsel en concludeert dat de belangenafweging evenwichtig is. Het belang van een goede besteding van gemeenschapsgeld weegt zwaarder dan de nadelige gevolgen voor appellant. Het besluit tot wijziging maakt een invorderingstraject mogelijk, maar heeft nog geen directe gevolgen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak van de rechtbank blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot wijziging van het uitstel van betaling wordt bevestigd.