ECLI:NL:CRVB:2024:1032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere subsidie vaststelling NOW-1 ondanks latere loonopgave directeuren
In deze zaak hebben drie dochterondernemingen hoger beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid die de subsidie op grond van de NOW-1 definitief lager vaststelden dan het eerder toegekende voorschot. De appellanten hadden hun loonopgaven van de directeuren pas na de wettelijk vastgestelde peildata ingediend, waardoor deze niet werden meegenomen in de subsidievaststelling.
De rechtbank Amsterdam had de beroepen ongegrond verklaard en oordeelde dat de minister conform de NOW-1 regeling en het evenredigheidsbeginsel had gehandeld. De appellanten stelden dat het financiële nadeel substantieel was en dat de lagere vaststelling onevenredig was, maar de Raad volgde dit niet.
De Raad benadrukte dat de NOW-1 regeling dwingende peildata hanteert om fraude te voorkomen en dat de minister geen hardheidsclausule heeft om hiervan af te wijken. De lagere vaststelling van de subsidie is gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid en is proportioneel gelet op het doel van de regeling, het feit dat appellanten zelf verantwoordelijk zijn voor tijdige en juiste loonopgaven, en het ontbreken van fraude.
De Raad concludeert dat de lagere subsidie vaststelling niet onevenredig is en bevestigt de aangevallen uitspraken. Appellanten krijgen geen proceskostenvergoeding. De zaak onderstreept het belang van tijdige en correcte loonopgaven binnen de NOW-regeling en de strikte toepassing van peildata.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de lagere vaststelling van de NOW-1 subsidie terecht is en niet onevenredig, waardoor het hoger beroep wordt verworpen.