ECLI:NL:CRVB:2023:891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing Nederlandse wetgeving op WW-uitkering bij grensoverschrijdende werkloosheid
Appellant werkte als reisleider voor een Zwitsers bedrijf en woonde tijdens zijn werkzaamheden in Nederland. Na beëindiging van zijn dienstverband op 8 maart 2020 vroeg hij een WW-uitkering aan. Het geschil betrof de vraag of de Zwitserse of Nederlandse wetgeving op zijn WW-uitkering van toepassing is volgens Verordening 883/2004.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het beëindigen van het voorschot niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en wees het beroep tegen de definitieve toekenning van de uitkering af. Appellant stelde in hoger beroep dat Zwitserse regelgeving van toepassing zou moeten zijn, wat zou leiden tot een langere uitkeringsduur.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat artikel 65 van Pro Verordening 883/2004 bepaalt dat een volledig werkloze die tijdens zijn laatste werkzaamheden in een andere lidstaat woonde, recht heeft op uitkering volgens de wetgeving van zijn woonstaat, in dit geval Nederland. Het hoger beroep werd afgewezen, waardoor de Nederlandse wetgeving van toepassing blijft en de uitkering voor de periode van 16 maart tot en met 15 juni 2020 definitief is toegekend.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de Nederlandse WW-wetgeving van toepassing is en wijst het hoger beroep af.